Home Up De 19de eeuw Barokisering Stabiliteitsproblemen De dwarsbeuk De dwarsbeuk Uitbreiding koor Verbouwing De nieuwe benedenkerk Het ontstaan De nieuwe benedenkerk Het ontstaan De 19de eeuw Barokisering |
|
P10.eps
Vergeleken met de progressieve architectuur van dwarsbeuk en koor, moet de nog vlak
afgedekte benedenkerk met haar lage scheibogen en ouderwetse tribunes - hoewel ze nog maar
een goede vijftig jaar oud was - een zekere onvrede hebben opgewekt bij de kerkmeesters en
de fabelachtig rijke parochianen en gildebesturen. Ook was de esthetiek van het kerkschip
voorbijgestreefd. Boven de kwantitatieve harmonie van getal en verhouding verkoos men nu
de kwalitatieve zintuigelijkheid van licht en kleur. Het kerkschip met zijn stapeling van
vier opeenvolgende registers of cellengangen, speculeerde op het effect van de punctueel
doorbroken volle muur. Het vertegenwoordigde een architectuur van evenwicht, waarin enkel
de tegen groefleger geplaatste diensten als gespannen snaren voor enig leven zorgden. Het
hoogkoor daarentegen veroverde de hoogte zonder fragmentatie in verdiepingen, maar door
nerveuze bundeling van alle actieve krachten in een stoutmoedig skelet, speculerend op de
leegte van een beglaasde vlieswand. Het realiseerde een grandioze transcendente
architectuur.
Nog in de laatste fase van de tweede bouwcampagne, dus omstreeks 1270, werd de fijn
geproportioneerde benedenkerk opengebroken, teneinde er het gearticuleerd stelsel van de
hooggotiek op toe te passen. Tribunes en scheibogen werden gesloopt en vervangen door hoge
bundelpijlers voor het overwelven van het middenschip. Meteeen werden ook de zijbeukmuren
weggeslagen om tussen de steunberen in kapellen te bouwen. Eerder ondiepe kapellen dus,
waarvan de buitenmuur in hetzelfde vlak als de bijgewerke steunberen kwam te liggen. Dit
gaf wel een monotoon beeld, dat de bouwmeester poogde te compenseren door boven de
vensters wimbergen te voorzien en de steunbeuren als een soort pinakels zeer hoog op te
trekken, teneinde toch enig ritme te bekomen. Hij had die oplossing te Gent gezien aan de
langsgevels van de dominicanenkerk, gebouwd tussen 1240 en 1300 (gesloopt in 1860).
|
|
De middeleeuwers waren zich bewust vIn die eenbeukige kerk
waren de traveeën weliswaar veel slanker, omdat zij de volle hoogte innamen. De
zijschepen van Sint-Niklaas daarentegen hadden geen gunstige hoogte-breedteverhouding en
door hun massieve verschijning werd de bovenlichtmuur verdrongen. Beter lukte het in de
westgevel, waar tussen de traptorens een immens spitsboograam werd uitgebroken, dat samen
met de vensters van de zijbeuken en de blinde frontmuren van de kapellen een monumentaal
geheel vormt. Aan de ongelukkige verhoudingen van de nieuwe langsgevels. Toen de tweede
zuidkapel in een portaal werd gewijzigd, moesten tamelijk volumineuze flankeertorentjes en
een diepe nis ervoor zorgen dat het maaswerkvenster een eleganter voorkomen kreeg.
Overigens is dit zuidportaal een geraffineerd stuk kleinarchitectuur. Het stamt uit de
14de eeuw, toen het kerkhof werd ommuurd en er dus een speciale lijkdeur moest gemaakt
worden om de overledenen op de Godsakker te brengen. In paradisum deducant te Angeli, zo
zingt men tijdens de uitvaartliturgie, en daarom werd de nieuwe deur "Het
Paradijs" genoemd en inderdaad paradijselijk opgesmukt.
De benedenkerk werd later nog verfraaid door in het boogveld van het westportaal enkele
hoogreliëfs van het voormalige doksaal van de Sint-Veerlekerk op te stellen. Deze
bidplaats bij het grafelijk kasteel was tijdens de godsdiensttroebelen van de 16de eeuw
verwoest. Haar kapittel verhuisde in 1585 naar de Sint-Niklaaskerk, waar in 1598 de
reliëfs werden gerestaureerd en opnieuw beschilderd. Zij verbeelden hoe de mensen van de
erfzonde verlost worden door het lijden en sterven van de mensgeworden Zoon van God.

|