De dwarsbeuk

  Dwarsbeuk, lantaarntoren en priesterkoor

Home
Up
De 19de eeuw
Barokisering
Stabiliteitsproblemen
De dwarsbeuk
De dwarsbeuk
Uitbreiding koor
Verbouwing
De nieuwe benedenkerk
Het ontstaan
De nieuwe benedenkerk
Het ontstaan
De 19de eeuw
Barokisering

P8a.gif (8142 bytes)

Omstreeks 1225 werd het terrein vrijgemaakt voor de tweede bouwcampagne. Intussen waren de architectuurvormen en de parochiale geldmiddelen dermate geëvolueerd, dat men van het oorspronkelijk plan afweek voor een nog grootser opvatting. Enkel de verlenging van het kerkschip was conform aan het reeds uitgevoerde deel, zij het met verjongde details. Dwarsschip en koor kregen iets hogere gevels en daken, maar het grootste verschil ligt in de opstelling van de travee. De tribunes werden weggelaten, zodat de schiparcaden mateloos hoog konden worden opgetrokken voor een optimale lichtinval in de middenbeuk, die nu ook van meetaf aan werd overwelfd. Het opvangen van de kruisribben van de overkluizing op traveegewijs opstijgende schalken, heeft de gelede binnenwand meteen een sterk ritme verleend. Deze diensten liepen over de kapitelen van de grote kolommen heen vanop kunstig bewerkte baldakijnen, die samen met door voetzuiltjes gedragen consoles beeldnissen voor pilaarheiligen vormden. In de alternerende verscheidenheid van de sculpturale behandeling van kapitelen, baldakijnen en consoles klonk een verre echo na van de steunenwissel in de oude kerken. Het koor was vlak afgesloten: de middenbeuk na vier, de zijbeuken na drie jukken. Deze gereduceerde vorm van kooreinde vindt men in de cisterciënzerarchitectuur en enkele vroeggotische kathedralen, doch vooral in de streekeigen traditie.

P8b.GIF (46032 bytes)

De stoffering van het kerkinterieur was gans anders dan vandaag. De middeleeuwers zagen de wereld immers door Gods ogen en wilden de ruwe bouwstoffen waarmee pijlers, muren en gewelven waren opgericht, door een polychrome afwerking dematerialiseren. Ook werd het instromend daglicht oorspronkelijk door kleurige en narratieve glasramen getransfigureerd in een bovennatuurlijk schijnsel. Ongeveer zoals de substantie van de offergaven bij de eucharistie wordt veranderd. Het transcendente karakter van de nieuwe gebedsruimte culmineerde in de machtige centraaltoren. Het was een oud inlands gebruik om de ordenende kracht van het kruis der kerkarmen met de hoogtedimensie te verrijken, maar hier ging deze viering in een lumineuze lantaarn goddelijk open. Op deze plaats was het leven voor de gelovige geen doelloze zwerftocht meer, maar een gerichte queeste naar het Licht dat in de wereld komt.

Boven het astrale gewelf van de toren bevond zich het open klokkenruim, waar de stadswachters en stadsklokken waren ondergebracht vooraleer er te Gent aan een eigen stadsbelfort werd gedacht. De campanile van Sint-Niklaas, met oorspronkelijk hoog oprijzende naald, vormde dus niet alleen voor de parochie een baken van symbolische geborgenheid en genade, maar voor de ganse gemeente een teken van vrijheid en veiligheid. Bij het vernieuwen van de gaanderij in 1405 werden naar alle richtingen borstbeelden geplaatst, die met wijd geopende ogen over de stad moesten waken. Natuurlijk deden mannen van vlees en bloed het echte werk, maar dat zagen de middeleeuwers niet zo. Een zinnebeeld vonden zij altijd sterker dan een simpel feit.
P8d.gif (18695 bytes)Van ongeëvenaard zuivere schoonheid is de compositie van de transept- en torengevels, waar groepen van twee of van drie lichtopeningen door het systeem van dubbelwandigheid nu eens in het binnen-, dan weer in het buitenblad gelegen zijn, hetgeen aanleiding geeft tot een subtiel spel van interne en externe loopgangen en suggestieve schaduwzones. Al die gevels worden geflankeerd door hoektorentjes, die de opeenvolgende geledingen samenbinden en met hun over de volledige hoogte doorlopende diensten de indruk van verticalisme versterken. Deze middenpartij maakte van de Gentse sint-Niklaaskerk ongetwijfeld het meest voorname produkt van de Scheldegotiek, waarvan de lichte en heldere opbouw door gesculpteerde details nog verder was verfijnd.
Uniek in onze gewesten zijn ook de luchtbogen van het hoofdkoor, die wijzen op een voldragen beheersing van het gotisch systeem. De omschakeling van een vlak afgedekt middenschip met vier verdiepingen naar een overwelfde, dynamisch geritmeerde, hoogoprijzende beuk met klassieke kathedraalopstand wijst op de tussenkomst van een bekwaam Noordfrans bouwmeester, misschien aangetrokken door de prelaat van de Sint-Pietersabdij, de kerkelijke patroon van de Sint-Niklaasparochie.
De voltooiing van de kerk kan gesitueerd worden omstreeks 1270.

P8d.GIF (2540 bytes)