Home Up De 19de eeuw Barokisering Stabiliteitsproblemen De dwarsbeuk De dwarsbeuk Uitbreiding koor Verbouwing De nieuwe benedenkerk Het ontstaan De nieuwe benedenkerk Het ontstaan De 19de eeuw Barokisering |
|

Omstreeks 1225 werd het terrein vrijgemaakt voor de tweede bouwcampagne.
Intussen waren de architectuurvormen en de parochiale geldmiddelen dermate geëvolueerd,
dat men van het oorspronkelijk plan afweek voor een nog grootser opvatting. Enkel de
verlenging van het kerkschip was conform aan het reeds uitgevoerde deel, zij het met
verjongde details. Dwarsschip en koor kregen iets hogere gevels en daken, maar het
grootste verschil ligt in de opstelling van de travee. De tribunes werden weggelaten,
zodat de schiparcaden mateloos hoog konden worden opgetrokken voor een optimale lichtinval
in de middenbeuk, die nu ook van meetaf aan werd overwelfd. Het opvangen van de
kruisribben van de overkluizing op traveegewijs opstijgende schalken, heeft de gelede
binnenwand meteen een sterk ritme verleend. Deze diensten liepen over de kapitelen van de
grote kolommen heen vanop kunstig bewerkte baldakijnen, die samen met door voetzuiltjes
gedragen consoles beeldnissen voor pilaarheiligen vormden. In de alternerende
verscheidenheid van de sculpturale behandeling van kapitelen, baldakijnen en consoles
klonk een verre echo na van de steunenwissel in de oude kerken. Het koor was vlak
afgesloten: de middenbeuk na vier, de zijbeuken na drie jukken. Deze gereduceerde vorm van
kooreinde vindt men in de cisterciënzerarchitectuur en enkele vroeggotische kathedralen,
doch vooral in de streekeigen traditie.

De stoffering van het kerkinterieur was gans anders dan vandaag. De
middeleeuwers zagen de wereld immers door Gods ogen en wilden de ruwe bouwstoffen waarmee
pijlers, muren en gewelven waren opgericht, door een polychrome afwerking
dematerialiseren. Ook werd het instromend daglicht oorspronkelijk door kleurige en
narratieve glasramen getransfigureerd in een bovennatuurlijk schijnsel. Ongeveer zoals de
substantie van de offergaven bij de eucharistie wordt veranderd. Het transcendente
karakter van de nieuwe gebedsruimte culmineerde in de machtige centraaltoren. Het was een
oud inlands gebruik om de ordenende kracht van het kruis der kerkarmen met de
hoogtedimensie te verrijken, maar hier ging deze viering in een lumineuze lantaarn
goddelijk open. Op deze plaats was het leven voor de gelovige geen doelloze zwerftocht
meer, maar een gerichte queeste naar het Licht dat in de wereld komt.
|
|
Boven het astrale gewelf van de toren bevond zich het open
klokkenruim, waar de stadswachters en stadsklokken waren ondergebracht vooraleer er te
Gent aan een eigen stadsbelfort werd gedacht. De campanile van Sint-Niklaas, met
oorspronkelijk hoog oprijzende naald, vormde dus niet alleen voor de parochie een baken
van symbolische geborgenheid en genade, maar voor de ganse gemeente een teken van vrijheid
en veiligheid. Bij het vernieuwen van de gaanderij in 1405 werden naar alle richtingen
borstbeelden geplaatst, die met wijd geopende ogen over de stad moesten waken. Natuurlijk
deden mannen van vlees en bloed het echte werk, maar dat zagen de middeleeuwers niet zo.
Een zinnebeeld vonden zij altijd sterker dan een simpel feit.
Van ongeëvenaard zuivere
schoonheid is de compositie van de transept- en torengevels, waar groepen van twee of van
drie lichtopeningen door het systeem van dubbelwandigheid nu eens in het binnen-, dan weer
in het buitenblad gelegen zijn, hetgeen aanleiding geeft tot een subtiel spel van interne
en externe loopgangen en suggestieve schaduwzones. Al die gevels worden geflankeerd door
hoektorentjes, die de opeenvolgende geledingen samenbinden en met hun over de volledige
hoogte doorlopende diensten de indruk van verticalisme versterken. Deze middenpartij
maakte van de Gentse sint-Niklaaskerk ongetwijfeld het meest voorname produkt van de
Scheldegotiek, waarvan de lichte en heldere opbouw door gesculpteerde details nog verder
was verfijnd.
Uniek in onze gewesten zijn ook de luchtbogen van het hoofdkoor, die wijzen op een
voldragen beheersing van het gotisch systeem. De omschakeling van een vlak afgedekt
middenschip met vier verdiepingen naar een overwelfde, dynamisch geritmeerde,
hoogoprijzende beuk met klassieke kathedraalopstand wijst op de tussenkomst van een
bekwaam Noordfrans bouwmeester, misschien aangetrokken door de prelaat van de
Sint-Pietersabdij, de kerkelijke patroon van de Sint-Niklaasparochie.
De voltooiing van de kerk kan gesitueerd worden omstreeks 1270.
|