|
Bij het begin van de 13de eeuw werden de drie beuken van het
romaanse kruiskerkje gesloopt en door nieuwbouw vervangen. Het is typerend dat eerst het
schip aan de Korenmarkt werd opgericht: dit wijst op het belang dat men hechtte aan de
verzamelplaats van de gelovige gemeenschap van geldschieters, dus aan de benedenkerk als
stadsinterieur, met voorrang op het priesterkoor. Tijdens de werken werden de kerkdiensten
in de voorlopig gespaarde oostpartij van de oude kerk gehouden. Het nieuwe kerkschip was
dubbel zo hoog als het voorgaande en zou ook een stuk langer worden. Tijdelijk namen vier
brede traveeën de plaats in van zes romaanse bogen. De architectuur was geheel anders. De
rusticiteit van de neergehaalde pijlerbasiliek werd vervangen door een meer geraffineerde
compositie. In plaats van twee verdiepingen telde elke travee er nu vier: ten eerste de
scheibogen tussen de beuken, gedragen door ronde zuilen; vervolgens een tribune, door twee
bogen per travee op het middenschip geopend; dan een horizontaal afgedekt triforium met
een afwisseling van samengestelde en enkelvoudige steunen; tenslotte de bovenlichtmuur
voorzien van drielichtvensters. De openingen van deze stapelbouw waren verfraaid met
flankeerkolommetjes, kapitelen, lijsten en profielen, die aan de wand een tamelijk rijk
uitzicht gaven. Bovendien was de muur boven de tribunes dubbel, omdat er bij het triforium
een binnenloopgang en bij de bovenlichten een buitenloopgang voorzien was. Waren de nog
niet geziene hoogte en de mooi belijnde geledingen echte innovaties, de ruimteschepping
was toch eerder archaïsch. |
|
Alleen de zijbeuken waren overwelfd, het middenschip en de
tribunes waren vlak overzolderd. Geen oprijzende schalken dus om de gewelfribben te
ondervangen, geen materiële afbakening van de traveeën, geen ritimisch scanderen van de
wanden. De nadruk lag helemaal op de horizontaal verlopende lijsten. Van buiten gezien
maakte dit basilicaal opgetrokken bouwwerk met zijn goed afgewogen massas beslist
een rijzige indruk temidden van de lage huizen eromheen. Ingevolge de aanwezigheid van
tribunes gingen de zijbeuken hoog op en meteeen ook het schip. De ordonnantie van
steunbeuren, loopgangen en doorbrekingen gaven een subtiel spel van licht en schaduw te
zien. Vanuit het westen, vanaf de Korenmarkt, was de aanblik wel minder gunstig. Het
middendeel van de gevel zat gekneld tussen de volumineuze, dicht bij elkaar staande en
hoog opgaande torentjes. Doornik, de bisschopszetel voor Gent en zelf een
vooruitgeschoven post van Frankrijk, leverde zowel de vormenschat als de technische
know-how en het bouwmateriaal, namelijk de blauwgrijze kalksteen. In de bisschopsstad
telde de kathedraal eveneens vier verdiepingen en in de parochiekerken was er veel met
ontdubbelde wanden, loopgangen en flankeerkolommetjes gewerkt. In de bisschopskapel, boven
de "fausse porte", was er in 1198 het kenmerkende drielichtvenster met hoger
opgaande middenlancet geïntroduceerd. |