De nieuwe benedenkerk

 

Home
Up
De 19de eeuw
Barokisering
Stabiliteitsproblemen
De dwarsbeuk
De dwarsbeuk
Uitbreiding koor
Verbouwing
De nieuwe benedenkerk
Het ontstaan
De nieuwe benedenkerk
Het ontstaan
De 19de eeuw
Barokisering

P10.gif (20234 bytes)

Bij het begin van de 13de eeuw werden de drie beuken van het romaanse kruiskerkje gesloopt en door nieuwbouw vervangen. Het is typerend dat eerst het schip aan de Korenmarkt werd opgericht: dit wijst op het belang dat men hechtte aan de verzamelplaats van de gelovige gemeenschap van geldschieters, dus aan de benedenkerk als stadsinterieur, met voorrang op het priesterkoor. Tijdens de werken werden de kerkdiensten in de voorlopig gespaarde oostpartij van de oude kerk gehouden.

Het nieuwe kerkschip was dubbel zo hoog als het voorgaande en zou ook een stuk langer worden. Tijdelijk namen vier brede traveeën de plaats in van zes romaanse bogen. De architectuur was geheel anders. De rusticiteit van de neergehaalde pijlerbasiliek werd vervangen door een meer geraffineerde compositie. In plaats van twee verdiepingen telde elke travee er nu vier: ten eerste de scheibogen tussen de beuken, gedragen door ronde zuilen; vervolgens een tribune, door twee bogen per travee op het middenschip geopend; dan een horizontaal afgedekt triforium met een afwisseling van samengestelde en enkelvoudige steunen; tenslotte de bovenlichtmuur voorzien van drielichtvensters. De openingen van deze stapelbouw waren verfraaid met flankeerkolommetjes, kapitelen, lijsten en profielen, die aan de wand een tamelijk rijk uitzicht gaven. Bovendien was de muur boven de tribunes dubbel, omdat er bij het triforium een binnenloopgang en bij de bovenlichten een buitenloopgang voorzien was. Waren de nog niet geziene hoogte en de mooi belijnde geledingen echte innovaties, de ruimteschepping was toch eerder archaïsch.

Alleen de zijbeuken waren overwelfd, het middenschip en de tribunes waren vlak overzolderd. Geen oprijzende schalken dus om de gewelfribben te ondervangen, geen materiële afbakening van de traveeën, geen ritimisch scanderen van de wanden. De nadruk lag helemaal op de horizontaal verlopende lijsten. Van buiten gezien maakte dit basilicaal opgetrokken bouwwerk met zijn goed afgewogen massa’s beslist een rijzige indruk temidden van de lage huizen eromheen. Ingevolge de aanwezigheid van tribunes gingen de zijbeuken hoog op en meteeen ook het schip. De ordonnantie van steunbeuren, loopgangen en doorbrekingen gaven een subtiel spel van licht en schaduw te zien. Vanuit het westen, vanaf de Korenmarkt, was de aanblik wel minder gunstig. Het middendeel van de gevel zat gekneld tussen de volumineuze, dicht bij elkaar staande en hoog opgaande torentjes.

Doornik, de bisschopszetel voor Gent en zelf een vooruitgeschoven post van Frankrijk, leverde zowel de vormenschat als de technische know-how en het bouwmateriaal, namelijk de blauwgrijze kalksteen. In de bisschopsstad telde de kathedraal eveneens vier verdiepingen en in de parochiekerken was er veel met ontdubbelde wanden, loopgangen en flankeerkolommetjes gewerkt. In de bisschopskapel, boven de "fausse porte", was er in 1198 het kenmerkende drielichtvenster met hoger opgaande middenlancet geïntroduceerd.